Skip links

Inhoud

Stervensbegeleiding (1/2)

stervensbegeleiding 1maandag 19 december 2011 15:43 Gemeentepastor Auke van Slooten bespreekt de verscheidenheid aan situaties waarin we met de dood worden geconfronteerd en de manier waarop christenen met de dood omgaan.

1. Er is verscheidenheid van sterven

In het begeleiden van stervenden realiseren we ons dat geen enkel sterfgeval hetzelfde is. Hieronder geven we een aantal verschillen

  • Leeftijd
    Er is een groot verschil tussen het sterven van een negentigjarige en het sterven van een klein kind. Bij de oudere zal men meer geneigd om terug te zien op een heel leven dat geleefd mocht worden en nu tot een natuurlijk einde komt. Het sterven van een kind zal als oneigenlijk en wreed worden beleefd. Het gaat dan niet om een leven dat ten volle geleefd werd, maar om een leven dat ‘in de knop’ wordt afgesneden.
    De mate waarin de stervende heeft kunnen leven is van grote invloed op het sterven en hoe dat beleefd wordt (vgl. het sterven van vader Jacob met het sterven van het baby’tje van David en Batseba (zie Genesis 49:33 en 2 Samuël 12:15-23).
  • Omgevingsfactoren
    Een zieke kan sterven in eenzaamheid in een ziekenhuiskamertje of omringd door familie in de eigen thuissituatie. Een plotseling tragisch ongeval of een misdaad zijn weer heel andere omgevingsfactoren. De ene factor heeft veel meer ‘traumagehalte’ dan de andere, waarin niet alleen de stervende, maar ook de omringende nabestaanden mee te maken hebben. De verschillende factoren vragen een aangepaste rol van de pastoraal begeleider.
  • Stervensproces
    Soms weet iemand al langer dat hij gaat sterven en heeft hij gelegenheid om zich daar samen met zijn dierbaren op voor te bereiden. Het uiteindelijk sterven kan daardoor veel rustiger beleefd worden. Een goede voorbereiding geeft vaak ook ruimte voor een gemakkelijker verwerking. Maar het kan ook zijn dat iemand plotseling voor het sterven komt te staan en geen of weinig voorbereidingstijd heeft. Het hele beeld is dan veel heftiger en nadien moeilijker te verwerken. Begeleiding in de vorm van nazorg (zie deel 2) neemt dan een grotere plaats in en heeft een ander karakter. Soms is de wijze van sterven uitgesproken traumatisch (bijvoorbeeld: het zien verongelukken van je kind, mogelijk ook nog door je eigen verantwoordelijkheid) en is de nazorg daardoor veel gecompliceerder en specialistischer.
  • Openheid /geslotenheid
    De ene stervenssituatie is voor de begeleider veel toegankelijker dan de andere. De pastorale begeleider kan bij de één al gedurende het hele voorbereidings- en verwerkingsproces aanwezig zijn en daar invloed op uitoefenen. Hij vindt verregaande acceptatie niet alleen bij de stervende, maar ook bij de familiekring.
    De andere situatie sluit zich veel meer af en blijkt alleen een enkel bezoek mogelijk. Dat wordt niet zelden bepaald door de omringende familie, die ook op scherp staat en soms de neiging kan hebben de stervende verregaand af te schermen voor de buitenwereld. De begeleider moet zich aan kunnen passen aan de ruimte die hem gegeven wordt en daar met zorgvuldigheid mee om kunnen gaan. Daarbinnen kan ‘vertrouwenskrediet’ worden opgebouwd, waardoor de openheid toeneemt

2. Verscheidenheid van geloofsachtergrond en het stervensproces

Binnen de kerkelijke gemeente is vaak meer verschil in geloofsbeleving aanwezig dan we in eerste instantie zouden vermoeden. Juist in het stervensproces komt dit vaak nadrukkelijker naar voren. De één worstelt vanuit een strenger of wettische geloofsopvatting veel meer met het vinden van geloofsrust, dan de ander die al vroeg leerde hoe genadevol God is.
Toch brengen de vrije kringen vaak ook hun eigen vragen mee, die niet zelden in het stervensproces verscherpt beleefd worden. Juist omdat in de vrije kringen veel nadruk wordt gelegd op mogelijke verbanden tussen oorzaak en gevolg, kunnen stervenden hier behoorlijk mee in de knoop raken. Een goede begeleider heeft wijsheid in wat hij in dit breekbare stadium wel of ook niet mag losmaken.

De ene persoon zal vanuit een geloofsopvatting de ziekte en het sterven als vijanden zien en vandaar uit grote moeite hebben om tot overgave en rust te komen. Tot het laatst toe blijft hij strijden en op genezing hopen.
De ander beleeft veel meer hoe alles uiteindelijk in Gods hand is en kan zich daaraan toevertrouwen. Hij ziet wat hem overkomt meer in het perspectief van de eeuwigheid en kijkt positief naar de toekomst.

De één heeft een fundamenteel angstig Godsbeeld, de ander een fundamenteel veilig Godsbeeld. Dit komt in het stervensproces dikwijls uitvergroot naar voren. In deze blijkt vaak hoe belangrijk het onderwijs en de geloofsopvoeding in de gemeente zijn.

3. De betrokkenen

De begeleider heeft niet alleen oog voor de stervende, maar juist ook voor de naaste betrokkenen. Het kan gaan om de levenspartner, kinderen en ouders. Deze betrokkenen hebben vaak een eigen wijze van verwerken en vullen ook een eigen rol naar de stervende in. Het is goed dat de pastorale begeleider daar alert op is.

Juist ook de verwerking raakt de betrokkenen. De overledene is er niet meer, maar zij zijn achtergebleven. Zij rouwen en verwerken het verlies. Sommigen zullen het als traumatisch ervaren. Soms kan het jaren kosten om het ontstane gat in hun leven weer ingevuld te krijgen (verlies van levenspartner, ouder, kind).

De begeleider als katalysator
Het kan gebeuren dat de begeleider een zeker vertrouwen wint bij de verschillende betrokkenen en haast als een katalysator voor de verschillende verwerkingen kan functioneren. Hierdoor kan hij ook in de nazorg een belangrijke functie hebben. Toch weet hij ook met grenzen in de zorg om te gaan en zijn betrokkenheid langzamerhand af te bouwen.

Meerdere betrokkenen
Soms zijn er zeer veel mensen betrokkenen bij het stervensproces. Denk bijvoorbeeld aan de Volendamse ramp, waarin een groot aantal jongelui op dramatische wijze in de cafébrand omkwam en anderen blijvend verminkt werden. Het hele dorp was betrokken. De diverse kerken en pastores functioneerden mede als een katalysator van dit plaatselijk verwerken. Er was een bijzondere integratie van maatschappelijke en kerkelijke hulpverleningsmogelijkheden door de grootschaligheid van het gebeuren.

Professionals
De pastoraal begeleider komt ook andere betrokkenen in de hulpverlening tegen: verpleegkundigen, artsen, thuiszorg, personeel van een hospice, begrafenisondernemer, enzovoort. Hij moet weten wat temidden van deze betrokkenen zijn specifieke rol is. De pastorale begeleider moet beseffen dat hij een schakeltje is in de ‘zorgketen’ en gaat er voor om zo harmonieus mogelijk samen te werken ten dienste van de stervende en zijn naaste omgeving.

4. De pastoraal begeleider

Over de rol en betrokkenheid van de pastoraal begeleider is hier en daar al wat gezegd. Hieronder geven we een overzicht van belangrijke specifieke vaardigheden en eigenschappen die een pastoraal begeleider in deze vorm van pastoraat moet bezitten.

  • Bouwen aan en vertrouwensrelatie
    De eerste en meest voorname taak van de pastoraal begeleider is het leggen van een fundering voor de vertrouwensrelatie. De begeleider moet weten hoe hij binnen kan komen. Een bescheiden, begripsvolle en rustige benadering, opent de deur gemakkelijker dan het snel komen met zwart-wit geloofsantwoorden. We hoeven niet altijd te beginnen met de Bijbel open en met gebed. Bovendien zijn vaak al bij het begin van de stervenssituatie betrokkenen aanwezig voor wie de pastoraal werker een vreemde eend in de bijt is en op wie zijn geestelijke benadering vreemd overkomt. In eerste instantie ligt de nadruk meer op het leggen van relaties die vaak in tweede instantie ruimte scheppen om geloofsinhoudelijk meer kwijt te kunnen. Het omgekeerde kan ook waar zijn. Men ligt dan van meet af aan op één lijn en er kan voluit worden geput uit een gezamenlijk kennen van de Heer.
  • Luisteren en meevoelen
    Van de vrienden van Job kunnen we veel leren over hoe het niet moet. Zij luisterden niet, maar preekten. Zij brachten Job tot radeloosheid. De bekwame luisteraar bouwt juist door het luisteren en invoelen vertrouwen op om ook met woorden bemoedigend en richting wijzend aanwezig te kunnen zijn. Zijn houding is er een van compassie, meevoelen. Hij is een klankbord van begrip en erkenning. Vanuit deze houding is het gepast een woord te spreken, een richtingwijzer te zijn, en samen te bidden.
  • Fasen onderscheiden
    Als een zieke hoort dat hij niet lang meer te leven heeft of als een ouder of partner hoort dat hij een kind of levensgezel gaat verliezen, komt er een verwerking op gang die door verschillende stadia gaat. Voor de pastorale begeleider is het van groot belang dat hij met deze fasen in het verwerkingproces rekening houdt en zijn handelen daar op afstemt.
    1. de schok (verdoving)
    2. de ontkenning (heeft zijn eigen tijdsfactor)
    3. de erkenning (komt vaak langzaam in stukken en brokken)
    4. de verwerking/aanvaarding (per persoon verschillend en met eigen tijdsdynamiek)
    5. de voorbereiding (actualisering op de realiteit en het nemen van stappen en maatregelen)
  • Een eerlijk beeld scheppen
    De pastorale begeleider kan een belangrijke bijdrage leveren in het scheppen van een eerlijk beeld, namelijk het eerlijk onder ogen zien van de ziekte en de kans om te sterven. Hij zal de gevolgen goed moeten inschatten en het traject dat gaat komen realistisch bespreken. Hij doet dat in de ‘context’ van de verschillende fasen! In de fase van de schok kunnen we niet komen met ‘eerlijke’ antwoorden, over wat er allemaal nog staat te gebeuren gaat. Dit zal nog niet goed verwerkt kunnen worden. Enkele stappen verder kunnen we een steeds eerlijker en realistischer beeld vormen.
    Christenen gebruiken soms theologische ‘krukken’ om hun ontkenning of verwerking vorm te geven en kunnen daarin zeer vasthoudend zijn. Dit kan het proces van fase tot fase erg bemoeilijken. Hun geloofsovertuiging of stellingname kan tot een verdedigingsburcht worden, waarbinnen niet meer echt verwerkt kan worden. Hierbij kun je denken aan uitspraken als: ‘De Heer heeft me laten zien dat Hij mij gaat genezen!’ Uiteraard kan deze uitspraak authentiek zijn en dan zal de Heer het ook doen. Maar het kan ook een ontkenningsmechanisme zijn, dat niet op werkelijkheid berust. Dat zal dan de nodige aanvaarding en verwerking doen stagneren.
  • Een Bijbels beeld scheppen
    De begeleider helpt mee om een evenwichtig beeld te vormen ten aanzien van ziekte, genezing, profetie, sterven, de eeuwigheid, God, overgave aan God, loslaten en vertrouwen.
  • Communicatielijnen vaststellen
    De begeleider heeft vaak een brugfunctie in de informatieverstrekking naar de gemeente. Een gemeente kan verregaand meeleven met de ernstige zieke. Ze kan er voortdurend voor op de bres staan, speciale bidstonden uitroepen of een vasten organiseren. De gemeente kan ‘gaan voor genezing’. Er kunnen openbaringen komen over wat de zieke zou moeten doen, of over mogelijke struikelblokken op de weg naar genezing. Dit kan een zuivere basis hebben, maar ook een eigen leven gaan leiden, waarin de verwachting van mensen toch voorbijgaat aan een aanstaand sterven. Deze betrokkenheid kan -als het zuiver is- hoopgevend in de situatie uitwerken. Wanneer de verwachting echter meer emotioneel is dan geestelijk (de emotionele wens is de moeder van de profetische uiting…) kan het ook belastend voor de stervende zijn en spanning veroorzaken tussen de verwachting van genezing en de realiteit van het sterven.
    Het is raadzaam om met de zieke en de naaste betrokkene (levenspartner) af te spreken hoe hier mee om te gaan en hoe de communicatielijnen zullen lopen. Wellicht kan de pastoraal begeleider met een (wijk)oudste gebedsinformatie doorgeven aan de bidders/de gemeente. Ook in omgekeerde richting kunnen zij eventuele openbaringen vanuit de gemeente/de bidders samen met de stervende toetsend en biddend in overweging nemen. Zij fungeren hierin als een beschermende brug tussen de stervende en de gemeentebetrokkenen. In overleg met de stervende en naaste betrokkenen bepalen zij ook welke informatie het beste door wie aan de gemeente meegedeeld kan worden (gewoonlijk een taak van de oudsten).

5. De ‘helpers’

Het gaat echter niet alleen om pastorale begeleiding. Helpende handen kunnen veel verschil in de situatie uitmaken. Hierin kunnen diaconale hulp of ook de betrokkenheid van een kring veel verschil uitmaken. Rondom het sterven van een gezinslid staat vaak het hele huishouden onder druk. De gewone dingen schieten er veelal bij in: maaltijdverzorging, schoonmaken, boodschappen die gedaan moeten worden, kinderen opvangen en noem maar op. Maar soms ook: een nacht waken bij de zieke (zodat de partner ook aan rust toe kan komen), of een kleine (rolstoel)wandeling maken.

We moeten hierbij wel onderscheid maken tussen de pastorale begeleider en de ‘helpers’. Ze zijn beide nodig en moeten gestalte geven aan een stuk onderlinge afstemming om de geestelijke en praktische zorg zoveel mogelijk te maximaliseren. In de eerste fase na het sterven blijven deze helpers ook nog een tijd lang van belang. Soms is het heengaan van de stervende voor de achterblijvende partner een uitputtingslag geweest en blijft hij of zij behoorlijk ontregeld achter. Gepaste hulp kan dan helpen om ruimte te scheppen om een stuk orde en energie langzamerhand weer terug te vinden.

Auke van Slooten
Gemeentepastor Vrije Evangelisatie Zwolle

Lees ook deel 2 van deze serie

Kernwoorden: Stervensbegeleiding, pastoraat, dood, gemeentezorg, overlijden

Labels

«Terug naar Home


Steun het werk van de EA